vrijdag 2 september 2016

Niks geen herfsttij, Huizinga!

Onlangs nam ik op facebook deel aan een conversatie over de mediëvist Johan Huizinga, en zijn standaardwerk "Herfsttij der Middeleeuwen". Huizinga schrijft wijdlopig. Soms is het heel mooi. Soms moet je er een woordenboek bij pakken, waarin je dan een vergeten betekenis vindt, voordat je het begrijpt. Ik haakte af in Hoofdstuk 12. Een bepaalde zin - ik vind hem zo weer als u wilt - las ik, leek mooi, maar ik snapte het niet. Na minstens 20 keer herlezen nog steeds niet. Het zal niet Huizinga's bedoeling zijn geweest dat de lezer dit begreep. Hallicunatoir geraaskal? Mogelijk. Litteraire masturbatie? Ja, ik denk van wel. Didactisch doeltreffend? Neen.

Ik ben geen mediëvist, maar volgens mij is het beeld dat ons op school is bijgebracht over de middeleeuwen, sterk beïnvloed door Huizinga. En volgens mij is dat beeld veel te pessimistisch.
Dat had ik al eerder geconstateerd aan de hand van de twitterfeeds van mediëvisten als @Erik_Kwakkel en @AClerkThereWas, en nu komt er weer iets bij, namelijk deze prothese, met dank aan @Teszelski.

Mogelijk is de datering, 1500 tot 1505, omzetstimulerende wishful thinking van Sotheby's. Maar ik weet iets van medische techniek. Het is specialistisch vakmanschap, en ook nu nog zeer zeldzaam. Ik vind het plausibel dat deze prothese uit dezelfde school komt als de kunstarm van Ridder Götz wiens eigen arm werd afgehakt in 1504, en wiens prothese dus inderdaad wel van rond 1505 zal dateren.

Had u gedacht dat middeleeuwers zulke protheses konden maken? Ik niet. Mogelijk is deze gemaakt door een achterkleinzoon van die van Götz' arm. Het vroegst bekende eigendom is rond 1750. En allicht zal een achttiende-eeuwse prothese vernuftiger zijn geweest dan een zestiende-eeuwse. Al doende leert men, immers.

Maar dat dondert niet. Middeleeuwers hadden prothesen! Daar gaat het om. Het was dus echt niet zo'n duistere, onwetende tijd als Huizinga ons decennialang deed geloven.

Lekker belangrijk? Ja. Ik vind het belangrijk dat invloedrijke zelfbenoemde authoriteiten die het mis blijken te hebben gehad, onklaar worden gemaakt.

maandag 11 juli 2016

Talking shit with Komrij

Negen jaar geleden alweer mocht ik voor de toen nog niet wijlen Amsterdam Weekly de toen eveneens nog niet wijlen Gerrit Komrij interviewen over zijn poepboek. Als kop suggereerde ik 'Vlakspoelers en diepspoelers', maar de redactie koos voor 'Talking shit with Komrij' met als onderkop 'Award-winning author digs into toilets'.


Encyclopedie van de stront
It’s not often that you have the opportunity to talk to one of your favourite writers. Therefore it isn’t that strange altogether that the reporter is a wee bit nervous, sitting in the garden of publishing house De Bezige Bij near Museumplein, where he’s awaiting the arrival of Gerrit Komrij. Komrij (1944)  has been a formidable force in Dutch language literature for almost four decades, winning most of the major awards.

Having covered about every literary area as a poet, prosaist, critic, essayist, playwright, translator, anthologist and polemist, he is a genuine intellectual, to put it briefly, whereas the reporter is merely intelligent, however only on days with a favourable wind direction. But then again, Komrij has just written this book about shit, so why worry?

In Komrij’s Kakafonie – Encyclopedie van de Stront (Encyclopedia of Shit), he has gathered scatological texts - writings about feces – from as far back as the ancient Greek to modern day literature, the focal point being contemporary Dutch and Flemish writings. In a splendid layout by Piet Schreuders with many reproductions from Komrij’s own scatological collection, the book deals with shit and related subjects in chapters like Body (The Arse), Act (Shitting), Movement (The Fart), Habitat (The Sanitary Fittings) and Lifestyle (The Lovers).

Don't drag your turd around, children

But why would anyone want to write a book about shit? “Because it didn’t exist in the Dutch language”, says Komrij, who turns out to be a most amiable conversation partner, much to the reporter’s relief. “I have always been very curious about scatology. When I read back the first interview I gave, back in 1968, I already announced this book for the next year. You know, there are so many cookbooks, but hardly any about the second part of the digesting process. Mind you, I am only interested in writings about shit, not in shit itself. Seeing a dog’s turd is enough to make me vomit somewhat.”

Komrij, who has been living in Portugal since 1984, has build up a valuable collection of about 150 scatological books; fourty of the rarest specimens from the sixteenth till nineteenth century are momentarily on display in a small exhibition at De Slegte antiquarian bookshop in Kalverstraat. Komrij says he finds most scatological books when he’s on the prowl for additions to his collection of older erotica. They’re hard to find though, because widows of scatology collectors have destroyed a lot, after having found out about their late husbands' peculiar interests. “For many people shit is still a taboo. And in a way the taboo has a function. You have to taboo it for children at a young age, otherwise they will drag their turd about and things will get rather messy.”

In the preface of Kakafonie Komrij states that ‘we are hypocritical when it comes to shit. Shit is shameful, but everyone roars with laughter about farts. This book levels out the last threshold of the moralists. The last taboo.’ In NRC Handelsblad critic Arjen Fortuin said that he doubts if shit is still a taboo, given the fact that so many - medical – books have been written about it. Besides, the index of Kakafonie reads as a who is who of two and a half millennia of – mainly European - literature. Komrij chuckles: “Well, you have to put something extreme in a preface. It gives the critics something to write about.” He claims he worries about a bad review for ‘about fifteen minutes. Certainly not any longer than that.’

Gerrit Komrij

Purple with white spots should worry you

The author elaborates on why he wrote the book. “A great deal of the material is very humorous, for instance the bits about constipation or farting. Take Mozart. We know from his correspondence he was really into farting. The scenes in the movie Amadeus where he’s giggling about farts are based on facts. But it’s not all about having a laugh. The way people deal with shit, and how they talk about it, tells a lot about where they stand morally or religiously.”
Not only Mozart was into farting.

Kakafonie describes how at the end of the nineteenth century a man named Joseph Pujol made a very decent living as Le Pétomane, a professional farter. He did shows in the famous club Moulin Rouge, where he smoked a cigarette through a tube attached to his southern entrance, letting the smoke escape through the northern one. On a children’s flute he played tunes, using his constrictor. His rectum bought him and his family a villa with servants. In another section of the book, American author Ethel Portnoy expands on European toilets; she mentions a typical Dutch phenomenon: the vlakspoeler (platform toilet). Komrij says, amusedly, he doesn’t have a clue as to why the Dutch seem to be so fond of inspecting their stool before flushing it towards the ocean. “Maybe it has something to do with reassuring yourself by having a quick check. If you see the product doesn’t have the usual brown color, but purple with white spots instead, you ought to be seriously worried. If you would be using a diepspoeler (standard W.C. pan without platform), you might have had purple turds with white spots for weeks without knowing it.”

In one of his own contributions Komrij writes that a human being is nothing more than a ‘bag of shit’, and as a critic, he ruthlessly runs reputations into the ground. Is Komrij a misanthrope? He laughs. “No, I’m not. I am being paid to grumble. For a while I have tried to write positive reviews. That resulted not only in awful prose, but has cost me friendships. People said I had changed and thought I had gone mild, or, worse, was growing demented. And I was only 35 at the time.”

Gerrit Komrij, Komrij’s Kakafonie, De Bezige Bij

woensdag 2 maart 2016

Goede Uitgevers, Slechte Uitgevers

Ben je zelfstandig tekstschrijver en/of vertaler, dan heb je te maken met uitgevers. En je hebt goede uitgevers, en slechte uitgevers. Hoe herken je welke wat is? Twee profielschetsen.

Deadlines

Een goede uitgever zegt bij elke opdracht duidelijk wat de deadline is, en die deadline is ook haalbaar. Als je trouw je deadlines haalt, dan bouw je krediet op. Dat betekent dat je mettertijd een potje kunt breken.
Een goede uitgever geeft enige rek in de deadline als jij toevallig krap in je tijd zit. Als je kwaliteit levert, dan mag je die kwaliteit ook wel ietsje later inleveren - als je er maar geen gewoonte van maakt.

Bij een slechte uitgever komen de opdrachten op als kakken en/of hebben ze een vage deadline en/of springen deadlines onverwacht naar voren. Dergelijk gestunt dwingt je tot overuren of tot het weigeren van andere opdrachten. Dat is hinderlijk tot schadelijk, maar een slechte uitgever heeft daar geen boodschap aan.

Betreft het een periodiek, dan heeft zelfs een slechte uitgever daar meestal wel een planning voor. Jij wilt rekening houden met die mensen en je wilt het gezeik vóór zijn, dus je vraagt die planning op. Daar staat dan zoiets:

kopij op de redactie:   15 - 29 jozuari  
eindredactie:           30 jozuari - 15 aprember  
zetwerk en DTP:         16 aprember - 1 julo  
drukker:                2 en 3 julo  
distributie:            6 julo

Nou, dat is duidelijk, toch? Jij bent de schrijver. Jij levert de kopij aan. Wat is jouw deadline? 29 jozuari. Denk je. Logisch! Ja toch?

MIS! Jouw tekst, die langs een corrector geweest is, die in lengte minder dan 3% afwijkt van het gevraagde aantal woorden of karakters, waarin koppen, tussenkoppen en streamers kant-en-klaar zijn aangegeven, waar m.a.w. de eindredactie nog geen 5 minuten werk aan heeft, MOET en ZAL vóór 15 jozuari binnen zijn. Dat hoor je uiteraard pas op 14 jozuari, als het te laat is om er nog iets aan te doen. En hoe háál je het in je hersens om hun interne planning te gebruiken?

Dus jij doet je best om je te richten naar hun planning en je krijgt stank voor dank.

Redactie en eindredactie

Een goede uitgever heeft een redactie die verantwoordelijkheid neemt. Daar heb je geen omkijken naar.

Een slechte uitgever heeft een redactie die taalfouten en geleuter in je tekst moffelt en een eindredactie die daar niets aan doet maar in plaats daarvan jou de drukproef stuurt "ter controle". Het is jouw naam die boven dat artikel staat. Dus het is jouw reputatie die schade lijdt van die lakse eindredactie. Dus je verbetert die drukproef, en je besluit om die tijd bij de volgende opdracht in rekening te brengen, want de rekening voor dit artikel is al de deur uit.

Hoe komen ze ermee weg?

Hoe kan dit? Nou, follow the money. Een goede uitgever bestaat van de verkoop van uitgaven, die is blij met jouw kwaliteitscontent, want dat lezen de lezers graag en daar vaart die uitgever wel bij.

Een slechte uitgever heeft een deal met een organisatie die dat periodiek belangrijk vindt. De uitgever vangt geld, ook als geen hond dat periodiek zou lezen. (Jij wordt ook niet ingehuurd door die uitgever, maar door die organisatie. Omdat je haar gedachtegoed zo goed weet te verwoorden. Die organisatie is blij met je. Laat daar geen misverstand over bestaan. )

Een slechte uitgever heeft geen respect voor auteurs, omdat daar geen financiële reden toe is. Fatsoen? Voor een freelancer?

Nog een lekkere horrorstory tot besluit

Ook bij een slechte uitgever zijn er mensen die jouw werk lezen en aanbevelen bij anderen. Zo kan het gebeuren dat je een mooie opdracht krijgt van de Stichting X, namelijk een uitgebreid artikel dat Stichting X op haar website wil plaatsen voor de mensen die Stichting X om raad vragen. Jij maakt dat artikel. Stichting X is blij. Jouw rekening betalen ze grif. Het artikel is dan hun eigendom. So far so good.

Enige tijd later vraagt Stichting X jou toestemming om dat artikel te plaatsen in dat periodiek van Slechte Uitgever. Jij zegt: natuurlijk, het is jullie eigendom, je mag ermee doen wat je wilt. Dus jouw artikel verschijnt in het periodiek. Maar dan claimt Slechte Uitgever rechten op jouw artikel. Stichting X mag jouw artikel niet op haar website plaatsen, dus mag er niet mee doen wat ze van plan was - waar ze jou voor betaald heeft.

Verontwaardigd? Nou en of. Jij mailt. Auteursrecht is onvervreemdbaar. Die claim kan niet. Stichting X boekt geen enorme winsten op dat artikel, maar wil het gewoon eerlijk gebruiken waar het voor bedoeld is. Fair use, heet dat. Slechte Uitgever volhardt evenwel: "Wij zijn uitgever, het is van ons". Er dreigt een conflict. Jij overweegt juridische stappen. Het suddert een tijdje. Dan weet iemand op miraculeuze wijze Slechte Uitgever te bewerken en zo loopt het uiteindelijk met een sisser af. Slechte Uitgever geeft Stichting X toestemming voor fair use.

Werk weigeren

Moet je dan opdrachten van een slechte uitgever weigeren? Dat is een goede vraag. Heb je hart voor de zaak en zijn de lezers blij met jouw werk en heb je een redelijk uurtarief, dan kan dat opwegen tegen de hufterigste van alle uitgevers.

Maar er zijn grenzen.

Mogelijk gemaakt door Blogger.